Kamp Lager, Schafstädt

Zoek iedereen die in dit kamp gezeten heeft »

Kaart Schafstädt Schafstädt omgeving Aan de L172 van Querfurt naar Schafstädt ligt halverweg bij de 1e licht knik het Kamp Schafstädt. Schuinweg ziet u nog de contouren van de landingsbaan Van Links onder naar Rechtsboven bij het Kamp liep de landinsbaan In de bosjes 10 meter van de weg stond de Barak van het Kamp Schafstädt 	De onthulling op "Totensonntag" 21 november 2010 van het monument in het Marianne-Blumenbecker-Park in Schafstädt.

Naam van het Kamp Schafstädt
Type Kamp Schaapskooi langs de weg
Straatnaam Querfurter strasse
Plaats Obhausen
Gemeente Obhausen
Bundesland Sachsen-Anhalt

Geografische positie Ongeveer 1 kilometer westelijk van Schafstädt.

Noorderbreedte 51 graden, 22 minuten, 45 seconden.
Oosterlengte 11 graden, 42 minuten, 22 seconden.

UTM-Kartenprojektion Zone 32U. Oost 690 500m. Noord 5695 800m
(ADAC Stadtatlanten)

Kaart ADAC Stadt Atlas Band nr 30 Halle (Saale)
Bladzijde nummer vak

Internet adres http://www.merseburg-querfurt.de

Begindatum Rond maandag 9 oktober 1944
komende van het Lager Zöschen
Einddatum Maandag 26 november 1944.
Vertrek naar Lager Ammendorf

Beschrijving van het Kamp.
Zie boek van Arie Kunnen en de beschrijving van Jaap Epskamp.
o.a. in het boek "Der Tod ist ein Täglicher Gast" van Martin Pabst en het boek "Aanslag en Represaille" van Harm Reinders wordt de situatie in het kamp Schafstädt uitgebreid beschreven.

Binnen een maand, van 21 oktober 1944 t/m 23 november 1944, zijn hier 25 van de 100 Hollanders die hier tewerkgesteld zijn overleden door de zeer slechte behandeling door de kampleiding.

Beschrijving van Jaap Epskamp
Begin of half Oktober werden we met 100 man (allen Hollanders) van het hoofdkamp Zöschen naar het vliegveld nabij Schafstädt vervoerd. Met de trein van Zöschen via Merseburg naar Schafstädt. Wat voor een dag of datum weet ik niet meer.

(Afgaande op de vastlegging van de heer Arie Kunnen uit Wijk aan Zee:
Maandag 25 september 1944 van Nietleben naar Zöschen.
Ongeveer 14 dagen later van Zöschen naar Schafstädt. (Mogelijk Maandag 9 oktober 1944).
Ongeveer half november van Schafstädt naar Schkopau om ontluisd te worden door naar Ammendorf om uit te rusten.
Daarna te voet naar Zöschen om vrijgelaten te worden. Dat was Vrijdag 24 november 1944.)

Daar kwamen we aan bij een verlaten Schaapskooi langs de weg aan de rand van het vliegveld. Dit werd gebruikt door Jachtvliegtuigen. Deze kooi moest eerst door ons bewoonbaar worden gemaakt. De zijkanten moesten nog dichtgetimmerd worden. Er werden ijzeren stapelbedden, dekens en matrassen met wagens aangevoerd. Het was hard werken want er moest ’s-Nachts geslapen kunnen worden. De Haupt Scharführer Rudolf Barthold organiseerde het hele spektakel. In de avond stonden de bedden opgesteld maar de kooi was nog niet dichtgetimmerd. Het was niet erg koud want het was in Oktober en soms al wat nachtvorst. Er was ook soep en brood uit de keuken aangevoerd. We hadden de hele dag nog niets gehad. U kunt zich misschien voorstellen hoe we er aan toe waren. Moe, hongerig en koud vielen we de eerste avond in slaap.

De volgende morgen moest al een groot gedeelte van de jongens op commando (op het vliegveld gaan werken). Een man of 10 a 15 moesten in de kooi blijven werken. Het verder dichttimmeren van de zijkanten, keuken bouwen, hek van prikkeldraad bouwen, put voor de latrine graven en schoorstenen bouwen voor de 2 kachels. Ook was er nog een wagon met sintels aangekomen. Daar moesten we de grond om de kooi mee begaanbaar maken. Door de regen en nachtvorst was het een blubbertroep geworden waar je soms tot je enkels inzakte. Het eten was de eerste 3 a 4 dagen slecht en weinig. Toen onze eigen keuken gereed was werd het wat beter maar niet veel. Na +/- 1 week moesten we mee op commando maar na 3 of 4 dagen moest ik van de Scharführer (deze was de rechterhand van de Hauptscharführer) thuis blijven om de rommel in de kooi op te ruimen. Daar was haast geen beginnen aan. De jongens kregen geen tijd voor persoonlijke verzorging. Als ze s’-Avonds moe, hongerig, nat en smerig thuis kwamen was alleen het pannetje soep (meer water dan wat anders) en het stuk brood wat ze kregen hun grote zorg. De meeste aten met de soep ook het brood op. Dit met het oog op stelen want honger maakt andere mensen en dan is de verleiding erg groot.

Er was ook geen wasgelegenheid. Het water werd aangevoerd op een wagen waar een tank boven op stond en was hoofdzakelijk voor de keuken om eten te koken. Moe en hongerig kropen de jongens met hun vuile natte kleren in bed. Dat deed ik ook want ook deze waren niet veilig. We hadden niets anders dan de kleding die we aanhadden. De koffers met reserve kleding stonden in het kamp Zöschen opgeslagen. Na 2 a 3 weken werden al jongens ziek. Toen heb ik met nog een paar kameraden een houten schot getimmerd met de gedachten van een beetje privacy. Maar al gauw werden die 4 bedden niet genoeg. Er kwamen na 3 of 4 weken zoveel zieken dat er 100 man aanvulling kwam uit Zöschen. Daar waren nog wat Hollanders bij maar ook Polen, Russen, Italianen en ook nog mensen van de Balkan. Die moesten ook in de schaapskooi ondergebracht worden. Dus weer de bedden hoger op elkaar gestapeld. Het was een doolhof van nauwe gangetjes en bedden 3 tot 4 hoog. Er waren ook nog Franzosen bij. ’s-Nachts was het haast niet uit te houden van de benauwde lucht en de stank van ongewassen mensen en vuile en natte kleding. ’s-Avonds gingen deuren dicht en was er geen ontluchting. De jongens die buikloop hadden konden dan niet naar de latrine dus werd het een verschrikkelijke toestand. Matras en dekens werden bevuild maar ook de kleding die ze aanhadden. Onbegrijpelijk dat er nog gewerkt moest worden.

Ik denk dat het de 2e week van November was (er waren inmiddels al een aantal jongens gestorven) kwam er onverwachts een Arts van de Luftwaffe op bezoek om eens te kijken waarom er zoveel zieken waren. Misschien gestuurd door de Commandant van het vliegveld. De man was zichtbaar ontdaan van de toestand die hij daar aantrof.
De Hauptscharführer zei dat alle zieken zich moesten melden bij de Arts. Alle jongens hadden wonden aan handen en benen. Vele hadden ook dikke benen van hongeroedeem en bloeddiarree. Ik ben daar zelf bij geweest om de Arts te helpen. Er was niets anders dan WC papier om te verbinden en zogenaamde kali-permangaan om te ontsmetten. Ik denk dat van onze groep +/- 35 jongens bij hem geweest zijn. Een geval heb ik nog goed kunnen onthouden. Dat was Ben Krieger een politieman uit Amsterdam. Die had op de bovenkant, ik meen dat het zijn rechterhand was, een heel grote blaas met vocht. De Arts prikte deze door en er kwam wel een eierdopje helder vocht uit. Toen hij de zieken op de bedden had bekeken zei hij tegen Rudolf Barthold. Als de omstandigheden voor deze mensen niet verandert komt ik hier niet meer terug. Ik denk dat het de aanleiding is geweest dat we niet lang daarna naar het ziekenlager zijn vervoerd.

Een aantal dagen later kwam de Commandant uit Zöschen op bezoek. Wat er van de eerst 100 Hollanders over was en kon moest aantreden. Ik stond naast Rudolf Barthold. Nadat de Commandant ons had bekeken zei hij tegen de Hauptscharführer: “Die Hollanders moeten vrij gelaten worden anders gaan ze allemaal dood”.

Niet lang daarna is +/- de helft naar een ziekenlager in Ammendorf bij Halle gebracht en +/- 5 dagen ben ik met de rest daarheen gebracht.

Er zijn veel jongens die door ondervoeding ziekte en mishandeling overleden zijn maar er zijn er ook een aantal gestorven in tijdsbestek van een paar dagen. De ene dag waren ze nog tamelijk goed en de volgende dag kregen ze een wazige blik in hun ogen. Na een dag zag je ze steeds vreemder gaan doen en 1 of 2 dagen later waren ze dood. Er waren er bij de de laatste uren om hun vader of moeder riepen en sommige gingen kerkelijke liederen zingen. Als ik dat nu overdenk is het een bizarre tijd geweest en is het onbegrijpelijk dat er toch nog een aantal jongens levend thuisgekomen zijn.




Is er nog iets over van het vliegveld Schafstädt?
Op de website http://www.fliegerhorste.de/where.htm staat:
Schafstädt: Es sind nur noch die Fundamente kleiner Flugzeughallen zu sehen, die befestigte Startbahn ist sofort nach Kriegsende durch die Bauern der Umgebung herausgerissen worden. Man wollte eine erneute militärische Nutzung verhindern. Heute Landwirtschaftliche Nutzung.