Kamp ArbeitsErziehungsLager, Zöschen

Zoek iedereen die in dit kamp gezeten heeft »

Rechts boven de zaal van het Rote Hirsch in Zöschen en Rechtsonder het station van Zöschen Lager Zöschen barakken 2 Lager Zöschen barakken. Foto nr. 3 van 16 april 1991. Lager Zöschen barakken 4 Lager Zöschen barakken 5 Lager Zöschen barakken 6 Lager Zöschen barakken 7 Lager Zöschen met op de achtergrond de Molen. V.l.n.r. Willem Welgemoed, Jan Beentjes, Ben Numan,Jaap Epskamp en Jaap Henneman. Lager Zöschen barakken  J Epskamp en zoon Wapenstok van bewaker en houtsnijwerk van Arie Meijdam uit Vianen Schts van AEL Zöschen door Frans Busschers Mitteldeutsche Zeitung 1 juni 2004 Jan van der Linden geeft uitleg bij de maquette van het Kamp Zöschen aan een groep scholieren Luchtfoto van het Lager Zöschen midden huidige situatie (2004). De barakken midden op de foto. Ronde tenten in het Krijgsgevangenenkamp in Beisfjord bij Narvik (Stalag 330). Gelijk aan De Kippe en Zöschen. Rouwkaart Krijn de Ruiter

Naam van het Kamp Zöschen
Type Kamp ArbeitsErziehungsLager.
Straatnaam RTS Siedlung
Plaats Zscherneddel/Zöschen
Gemeente Zöschen
Bundesland Sachsen-Anhalt

Geografische positie 8 Kilometer oostelijk van Merseburg

Noorderbreedt 51-21’05” 51 graden, 21 minuten, 5 seconden.
Oosterlengte 12-06’50” 12 graden, 6 minuten 50 seconden.

UTM-Kartenprojektion Zone 33U. Oost 299 000m. Noord 5692 800m
(ADAC Stadtatlanten)


Kaart ADAC Stadt Atlas Band nr 31 Leipzig
Bladzijde nummer 205 vak 7C.

Begindatum September 1944
komende van de Bunawerke in Schkopau
Einddatum 15 april 1945
Bevrijding door de Amerikanen.

Het kamp Zöschen is in de zomer van 1944 gebouwd. Vanaf 7 tot en met 18 augustus 1944 werden ongeveer 50 Hollandse gijzelaars dagelijks van Schkopau naar Zöschen vervoerd voor de opbouw. In September 1944 werdt een deel van de Hollanders van Schkopau naar Zöschen overgebracht. De situatie in het kamp Zöschen was erbarmelijk slecht. Van september 1944 tot de bevrijding door de Amerikanen van het kamp op 15 april 1945 zijn ruim 500 gevangenen overleden waaronder 130 Nederlanders.

o.a. in het boek "Der Tod ist ein Täglicher Gast" van Martin Pabst en het boek "Aanslag en Represaille" van Harm Reinders wordt de situatie in het kamp Zöschen uitgebreid beschreven.

Arbeitserziehungslager Zöschen.

Het kamp was een “Aussen Lager”, een buitenkamp, van het Concentratiekamp Buchenwald.

De Hollandse gevangenen die eind juli, na de vernietiging van het Kamp Spergau teruggebracht werden naar het Kamp Schkopau bij de BUNA fabrieken moesten helpen bij de opbouw van het kamp in Zöschen.

Diegene die geen bouwvak ervaring hadden kregen de zwaarste taken opgedragen zoals het uitgraven van grond voor de fundering van de barakken en de palen van de omheining.

Na 10 dagen, toen de dubbele omheining van prikkeldraad klaar was, werden de 4 wachttorens gebouwd. Daarna heeft men 20 tot 25 hardboard tentjes gebouwd zoals te zien op het rechterpaneel van de Razzia 1944. In deze tentjes verbleven de Razzia slachtoffers.
De tentjes waren aan de rand 1,60 meter hoog en in het midden 2,40 meter. Op de grond lag een laag stro en een paardendeken. Het stro is nooit vervangen en de deken kon niet gewassen worden.

In het kamp was een tweede prikkeldraad hek aangebracht rondom de 4 grijze gevangenen barakken.

De totale bouw van de barakken en de andere gebouwen heeft geduurd tot november.

De gevangenen die niet bouwden werden tewerk gesteld bij de LEUNA en BUNA fabrieken in Merseburg. Dagelijks werden ze per trein, in vee wagons, vervoerd naar hun werk. Als ze s’-avonds terugkwamen na 12 uur hard werken en veel slaag moesten ze de zakken cement, die nodig waren voor de bouw van het kamp, op hun schouder meenemen naar het kamp. Veel jongens konden de zware vracht van 50 kilo niet tillen en moesten de zak cement onderweg laten vallen. De hele weg was na enige tijd wit van het cementpoeder.

De jongens sliepen in de niet verwarmde hardboard tenten. De gevangenis kleding was van slechte kwaliteit. Om zich wat warmer te kleden deden de jongens lege cement zakken onder hun kleding. Als de kamp bewakers dit merkten werden de jongens beschuldigd van het stelen van “Rijks Eigendom”. Ze kregen minimaal 25 stokslagen. Ze moesten zelf tellen hoeveel ze er gehad hadden. Als ze zich vertelden begon de knuppelaar opnieuw.
Vaak werd één van hun maten gedwongen de stokslagen uit te delen. Sloeg deze niet hard genoeg dan kreeg hij zelf 25 stokslagen.

De Kamp Commandant was:
SS-Untersturmführer Wilhelm Winter,
geboren op 10 januari 1902 in Uchtdorf. D

De Leiding van de administratie had:
Politie Inspecteur in dienst van de Gestapo Alfred Opitz,
geboren op 17 februari 1897 in Merbach.